donderdag 15 oktober 2009

Rob Aspeslagh


Onze aardrijkskunde en geschiedenisleraar.

Geboren en getogen in Indonesië. Toen hij leraar aan de IVO Kindergemeenschap ontstond bij hem een fascinatie voor woord en beeld door de samenwerking met zijn collegae Nederlands Theo Vesseur de dichter, en Joop Willems de schilder. In 1975 werd hij onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Vredesvraagstukken om ideeën en leerplannen te ontwikkelen van vredesopvoeding en mondiale vorming; daarna bij het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael, waar zijn onderzoek uitging naar Centraal Oost Europa en Duitsland. Zijn aandacht verschoof echter van woord naar beeld, of van de wetenschap naar de beeldende kunst. Rob Hessels, Tonny Holsbergen en Ronald Terpstra onderwezen hem in tekenen en schilderen. Hieronder 2 zelfportretten.


En een kijkje in zijn atelier, met de koppen van zijn andere "leermeesters" Joop en Theo


Rob is in 2011 naar Indonesië terug geweest en vertelt hierover:

Soms krijg je een verlangen om terug naar je wortels te gaan. Voor mij is dat Indonesie. Ik zit nu in Tanjung Pinang op het eiland Bintan, vlak onder Singapore. Nog een weekje retraite, wat lezen en dan terug naar Amsterdam.

Tanjung Pinang is de plaats waar ik ben geboren. Het huis waar ik het levenslicht zag staat er nog. Ook het schooltje waarop ik kort heb gezeten wordt nog als school gebruikt. Natuurlijk even binnen geweest.

Samen met een oud colega van mij uit Australie -met haar heb ik veel geschreven en evenals mijn partner heeft zij een partner die niet van reizen houdt en evenals ik is zij ook reislustig- hebben wij het spoor van mijn kindertijd bewandeld.

Karimun, ook een eiland in de Riau archipel, bezocht. Kwamen o.a. in een school terecht, min of meer meegesleurd door de kinderen die wij op een voetbalveld ontmoetten. Op dat veld liet ik vroeger vliegers op.

Vandaar naar Bankinan. Ik wilde graag nog eens de plek zien waar mijn moeder en ik ruim drie jaar in Japanse gevangenschap hebben gezeten. We moesten militaire toestemming hebben om de plek te bezoeken, omdat deze nu militair gebied was. De commandant bleek ook directeur van de gevangenis te zijn. Dus daar gingen we. Prima ontvangst in de gevangenis; koffie toebroek opgediend door een gevangene; een interview door de commandant, een zeer vriendelijk en vooral ook knappe man, om te zien of ik wel serieus was en iets van het kamp wist. Ik slaagde voor de proef. Vervolgens onder militair escorte naar de vormalige Japanse gevangenis. Verder niet veel bijzonders: wat rondhangende maar vooral ook vriendelijke militairen.

Dan naar Pekanbaru. Een stad voor motorfietsen en auto's. Voetganger zijn is daar levensgevaarlijk. Dus het vliegtuig naar Medan. Ook zo'n stad. Ik heb daar na de oorlog gewoond. Nu is het daar onherkenbaar. Dus verder naar Bukit Lawang, een natuurpark. Veel Orang Utans en andere apen gezien. In het oerwoud een flinke smak gemaakt, maar alleen een smerig overhemd en broek. Even in de was in een riviertje, nat aantrekken en drogen doet het sowieso wel in de tropen.

Bukit Lawang ingeruild voor Berastagi, niks te beleven, alleen daar om verder door te reizen naar het Tobameer. Dat was op zich een bijzondere tocht, want we kwamen in twee traditionele Batak Karobruiloften terecht. We werden uitgenodigd om deel te nemen en wij hebben dat gedaan. Mijn Batak Karodans is voor wat je ervoor geeft. Heb mij dus wat in de achtergrond opgehouden.

Het Tobameer is prachtig. Hadden twee "cottages" bij een Duitse dame die met een Batak Toba was gehuwd. De clannaam van haar man was Siallagan, dezelfde als van onze gids en door de jaren mijn vriend Peter Siallagan. De Siallagans hebben ook, zoals andere clans, een eigen traditioneel dorp met een monument ter ere van hun eerste koning. Die koning is meer van het formaat dorpshoofd met alle pumps & circumstances die bij een koning horen. Zo slaapt zijn lijfwacht onder het bed van de koning. Moet fijn voor hem zijn als deze met een van zijn vrouwen de liefde bedrijft. Enfin, we kregen een hele rondleiding van een jonge dame die ons allerlei gruwelijke verhalen vertelde over de wijze waarop gevangen werden berecht, in het schandblok werden geplaatst en vervolgens werden onthoofd. Moest wel goed en in een keer gebeuren anders ging ook bij de beul de kop er ook af.

Van Toba terug naar Medan. Kwamen langs theeplantages. Daar bezochten wij de moeder van Peter Siallagan. Zij is twee jaar ouder dan ik, maar ziet er drie keer ouder uit. Zwaar leven in de tropen.

Nu dus terug in Tanjung Pinang. Ga nog lekker een weekje niks doen in een resort. Dit blog is hiermee ten einde. Veel niet opgeschreven, want dan krijgen jullie een roman voor de kiezen. Nu nog geen foto's, want ik zit hier in een internetcafe zonder de mogelijkheid foto's bij de tekst te leveren.

Rob Aspeslagh

Indonesië, 2

Mijn laatste week op Bintan, Indonesië, bracht ik door op een resort met de fraaie naam “Nostalgia Yasin Bungalows”. Nostalgie? Tempo Doeloe, de goede oude tijd? Ach, de tijd kun je niet herhalen. Zestig jaar zijn in een vergelijking onoverbrugbaar. Neem elke tijd zoals die is. Daarom slechts een paar losse flodders van impressies op Karimun. Op dat eiland heb ik immers mijn beste jeugdjaren doorgebracht.

Op Karimun gingen wij op zoek naar de lokale VVV. Dat viel niet mee. Wij vonden deze uiteindelijk in het regeringsgebouw in de middle of nowhere. We betraden een grote kamer met vijf bureaus waarachter vijf dames keurig in kaki uniformen gekleed plus bijpassende hoofddoek. De kamer was smetteloos leeg, op de bureaus geen stofje te bekennen, laat staan een velletje papier of een computerscherm. Wat zouden ze doen, de hele dag, die vriendelijke dames?

Ook op Karimun – ik schreef al over de kinderen en de school – vroeg een leerkracht mij over mijn eigen tijd in Indonesië. Ik vertelde dat ik hier op een dorpsschool had gezeten. Twee namen van Indonesische vrienden weet ik nog: Susu en Usup. Usup? Ja, een kleine, erg donkere jongen. Ja, die kende hij. Usup was havenmeester van Karimun geweest, maar nu was hij met pensioen. Usup leefde dus nog, maar waar hij woonde was onbekend. Susu? Nooit van gehoord.

Wat is er over van Karimun na al die jaren? Dus toch maar een vergelijking tussen 1949 en 2011.

In 1949 woonden er ongeveer 6000 mensen op het eiland zo groot als Texel. Het was totaal bedekt met oerwoud en er lag een klein stadje Tanjung Balai. Als de apen uit het oerwoud kwamen, dan holde iedereen naar buiten om de was en andere zaken binnen te halen. Apen laten graag een spoor van verwoesting achter. Twee prachtige, witte stranden bezat het eiland: Pelawan en Ponkar.

Het jaar 2011 laat wel een ander beeld zien. Dat kan niet anders, maar het zou wel anders kunnen zijn. Nu heeft het eiland ongeveer 150.000 inwoners. Overal dorpen. Het stadje Tanjung Balai is een grote drukke plaats. Midden op het eiland een gigantisch regeringscentrum, een reusachtige moskee en een groot voetbalstadion. Nauwelijks nog een grote boom te zien; alleen bij het zwembad in de waterval vind je er een paar. Een groepje apen overleeft daar, omdat er een eethuisje is. Verder volop steengroeven. De eilanden in de Riau-archipel bestaan uit graniet en dat graniet wordt met dynamiet opgeblazen, in grote bakken naar Singapore vervoerd die er nieuwe eilanden van maakt om huizen op te bouwen.

Ponkar is nog mooi, maar Pelawan, eigenlijk veel mooier, hebben ze grondig verpest door een wal op het strand te bouwen en op de wal een betonnen weg aan te leggen. Verleden jaar begonnen en nu al een puinhoop van ingestorte delen van de stenen wal en een afbrokkelende weg. Vuil, plastic overal.

Oh ja, Europeanen gaan op zoek naar jonge vrouwen in Thailand. Op Karimun kun je daarvoor ook terecht. Daar komen geen Europese maar mannen uit Maleisië of Singapore voor de hoeren. Vaak zijn dat jonge meisjes uit Java die met valse voorwendsels gelokt zijn. Die mannen? Veel vieze, dikke, middelbare mannen, die zich op volstrekt belachelijke wijze uitsloven voor de meisjes.

Ai, jullie dachten een gezellige, toeristische blog te lezen. Vergeet het als je probeert in die landen verder te kijken dan je neus lang is. Veel Nederlanders gaan naar Bali. Zij lopen van het hotel naar het strand, vermaken zich op een surfplank en dat was het dan. Karimun is Indonesië, Bali ligt op de maan. Beiden hebben mooi weer.

Rob Aspeslagh

1 opmerking:

  1. Marianne zei:
    Dank je Rob, voor je boeiende reisbeschrijving. Ik wacht met smart op de roman!!
    Nee hoor Rob, gezellige toeristische praatjes zijn helemaal niet interessant.....dus ik zat er zeker niet op te wachten! Bedankt voor je belevenissen!

    BeantwoordenVerwijderen